Scheikunde
Scheikunde is een vak van de verwondering en daarmee een inspirerend vak, maar het is ook een abstract vak en daarom voor heel wat leerlingen een echte uitdaging. Niet voor niets wordt er pas in de derde klas met dit vak begonnen. Op het Spinoza Lyceum wordt er wel al eerder met scheikunde kennis gemaakt bij het vak Mens & Natuur.
De 3e klas
Scheikunde, de kunde van het scheiden. Scheiden van stoffen was een heel belangrijke deel van de bezigheid van de eerste scheikundigen. Als je een stof wilt onderzoeken zal je hem eerst zuiver in handen moeten krijgen. Maar scheikunde gaat over meer dan dat. Scheikunde gaat over stoffen, over de eigenschappen van stoffen en over het verdwijnen en ontstaan van stoffen (chemische reacties). Dat is de basis en dat is waar we in de derde klas mee beginnen. Welke soorten stoffen bestaan er nou eigenlijk. Welke eigenschappen hebben ze. Wat zijn de verschillen, wat zijn de overeenkomsten?
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
We bekijken de verschillende soorten zuivere stoffen (zie hierboven), de verschillende soorten mengsels en hoe je de stoffen in mengsels weer van elkaar kunt scheiden. Ook gaan we in de 3e klas kijken waar de verschillende soorten stoffen uit zijn opgebouwd.
Uit atomen en geladen atomen die we ionen noemen. En hoe noemen we de stoffen, wie heeft ze ontdekt, wanneer zijn ze ontdekt en wat kun ermee? We gaan ook kijken naar wat chemische reacties nu precies zijn. Wat er nu met die kleinste deeltjes waar een stof uit bestaat gebeurt bij een chemische reactie. En natuurlijk besteden we ook tijd aan rekenen, rekenen met verhoudingen, reactievergelijkingen kloppend maken en rekenen aan reacties. Dit alles afgewisseld met practica.
In één periode voeren we klassikaal meestal 2 of 3 practica uit, waarbij er altijd 1 is gekoppeld aan een verslag en een cijfer. Soms doen we een practicum alleen omdat het leuk is, maar meestal valt er ook veel van te leren. Het leerlingenmateriaal is zo opgesteld dat leerlingen heel goed zelfstandig kunnen werken en in de lessen kunnen leerlingen altijd zachtjes met elkaar overleggen. in het derde jaar wordt gebruik gemaakt van de methode Nova met daaraan gerelateerde opgaven en uitwerkingen, maar er wordt ook veel gebruik gemaakt van eigen taken met uitwerkingen, zoals je op een daltonschool kunt verwachten. In de laatste periode besteden we nog aandacht aan koolstofverbindingen om vervolgens af te sluiten met onderwerpen als voeding, conserveren, hygiëne en zuren en basen.
2 doelgroepen
In de derde klas volgt iedereen scheikunde, maar niet iedereen gaat er daarna mee verder. In de derde klas wordt door leerlingen het profiel gekozen dat ze in de bovenbouw zullen volgen en waar ze eindexamen in zullen doen. Als je een natuurprofiel kiest, dan is scheikunde één van je examenvakken.
In de derde klas zijn er 2 doelgroepen. Leerlingen die niet met scheikunde verder gaan en het beste algemene kennis op zouden kunnen doen en leerlingen die er wel mee verder gaan en erbij gebaat zijn goed voorbereid te worden op de scheikunde in de 4e klas. Het eindexamenprogramma is dusdanig dat het voor die groep echt belangrijk is om in de derde klas een serieus begin te maken, wat het dus niet mogelijk maakt om het derde klas programma heel algemeen te volgen. Het programma dat goed is als voorbereiding op de 4e is echter weer niet voor alle leerlingen even geschikt. Op het Spinoza hebben we dit dilemma onder andere ondervangen door in de 3e klas bètacijfers in te voeren (ook bij wiskunde en natuurkunde).
Het bètacijfer
Een bètacijfer is een cijfer, naast het gewone rapportcijfer, dat aangeeft in welke mate een leerling instaat geacht wordt om succesvol te kunnen zijn binnen een bètaprofiel. Dit bètacijfer maakt het mogelijk om anders te toetsen. Het schept de mogelijkheid om leerlingen die onvoldoende geschikt zijn voor een bètaprofiel en een vak als scheikunde heel moeilijk vinden, een kans te geven om een voldoende te halen voor het vak in de derde klas. Dit door er wat meer leerwerk in te stoppen dan je anders zou doen, want leren, dat kan iedereen. Het rapportcijfer moet natuurlijk wel het niveau van het schooltype garanderen. Als op basis van deze bètacijfers twee maal op het rapport een negatief advies heeft gestaan voor een natuurprofiel dan is dat bindend op het Spinoza. We doen hard onze best om zoveel mogelijk leerlingen in het bètaprofiel te krijgen, maar we doen ook ons best leerlingen goed in te schatten en tegen een verkeerde keuze te beschermen. Dat is het beste voor de leerling, voor de klassen, de docent en de school als geheel.
Een andere manier om hier mee om te gaan is door te differentiëren in de laatste periode, wanneer al duidelijk is wie wel en wie niet een natuurprofiel gaat volgen. Dit door opdrachten aan te bieden waarvan de één meer bèta is en de ander meer alfa.
Scheikundelab
Sinds 2009 beschikt de sectie scheikunde over 2 geheel nieuwe lokalen met een moderne inrichting. Eén van de lokalen is geschikt voor practica met mooie labtafels. Ook delen we met de sectie biologie een leerlingenlab, waar leerlingen zelfstandig proeven kunnen uitvoeren tijdens het daltonuur of in tussenuren. Ook is de ruimte geschikt voor leerlingen die in verband met hun profiel- of sectorwerkstuk experimenten willen doen. Hiernaast is het leerlingenlab te zien waarbij 5V leerlingen een heel lange draad maken bestaande uit polymeren.
Programma bovenbouw
In de bovenbouw wordt eerst de basis van het vak verstevigd waarna we ons verdiepen in onderwerpen als chemisch rekenen, energie-effecten, evenwichtsreacties, zuren en basen, koolstofchemie, polymeren, biochemie, redox, industrie en analyse. We gebruiken hierbij de methode Curie, maar ook veel eigen opdrachten met uitwerkingen en eigen practica. De methode biedt een goede voorbereiding op het eindexamen, wat mede blijkt uit de resultaten die bij scheikunde al jaren op rij goed zijn.
Het programma is zo ingericht dat we op tijd klaar zijn met de lesstof en nog heel veel tijd kunnen besteden aan examentraining zodat de leerlingen goed zijn voorbereid. Ook doen we ieder jaar mee aan de scheikunde olympiade.





